Schaatsbeweging

Principe van schaatsen

Een schaatser ondervindt weerstand langs twee wegen, via de schaats op het ijs (± 20%) en via de frontale  luchtweerstand (± 80%). Om die weerstand te overwinnen voert de schaatser een beweging uit op de (voortglijdende) schaats. Met die beweging wordt een (afzet-)kracht opgebouwd om daarmee de reeds aanwezige voorwaartse snelheid te vermeerderen of op zijn minst te behouden   (zie voetnoot 1)).

Zijwaartse afzet

Om op het gladde ijs een afzetkracht te kunnen opbouwen wordt de beweging uitgevoerd in een vlak dat min of meer loodrecht staat op de voorwaartse schaatsrichting. Immers, alleen in die richting heeft de schaats voldoende greep op het ijs, er van uitgaande dat de schaats scherp geslepen is. We noemen dit de zijwaartse afzet.
56.001

Figuur 1. Vlak waarin beweging wordt uitgevoerd.


Zijwaartse afzet in beeld

Om deze (afzet-)kracht om te kunnen zetten in een snelheid in voorwaartse richting moet voldaan zijn aan twee voorwaarden. Eén voorwaarde heeft betrekking op de glijrichting van de afzetschaats en de tweede voorwaarde betreft de ronding van de schaats.

Glijrichting afzetschaats

Om de (zijwaarts gerichte) afzetkracht om te kunnen zetten in een voorwaartse snelheid moet de glijrichting van de afzetschaats afwijken van de voorwaartse richting, dat is de richting van de baan (zie de paragraaf Zijwaarts vooruit). Is de afwijking bij de ene schaatsslag naar links ten opzichte van de voorwaartse rijrichting, dan is de afwijking bij de volgende schaatsslag naar rechts ten opzichte van diezelfde voorwaartse rijrichting. En zo voort. Elke schaatsslag is het spiegelbeeld van de vorige schaatsslag. Gemiddeld genomen gaat de schaatser dus recht vooruit.

Er ontstaat het volgende patroon.

Schaatscyclus.001
Figuur 2. Schematische weergave van een viertal schaatsslagen. De doorgetrokken zwarte pijl stelt het traject voor van de afzetschaats, de gestippelde rode pijl van de bijhaalschaats en de gestippelde groene pijl van de inzetschaats.

Ronding van de schaats 

Een schaats waarvan het ijzer vlak geslepen is, dus zonder ronding, dwingt je rechtuit te glijden.  Op een dergelijke schaats zal het niet meevallen de voortdurende wisseling van glijrichting te realiseren. De wisseling van glijrichting vereist een schaats die enigszins wendbaar is. Die wendbaarheid is natuurlijk ook nodig om probleemloos een bocht te kunnen rijden en, waar nodig, soepel van schaatsrichting te kunnen veranderen.

Daarom brengen we op het schaatsijzer een ronding aan.

Diezelfde ronding heeft een functie bij het omzetten van kracht in snelheid (zie de paragraaf Zijwaarts vooruit).

Samengevat is de schaatsbeweging op het rechte eind symmetrisch, cyclisch en daardoor ritmisch.

Techniekaanwijzingen

  1. Voorkom haperingen in de uitvoering van de schaatsbeweging / maak van de schaatsbeweging een vloeiende beweging (de schaatsbeweging creëert afzetkracht, glijden op de schaats zonder een beweging uit te voeren levert geen bijdrage aan de  afzetkracht)
  2. Tel (hardop) mee met de linker- en rechter afzet ter controle op een ritmisch verloop.

Naar paragraaf schaatshouding.

1) Dit is overeenkomstig de tweede wet van Newton: een lichaam waarop een kracht werkt, ondergaat  een versnelling (verandering van snelheid).