Afzet

Beschrijving afzet rechte eind
Voor het opbouwen van afzetkracht voeren we een beweging uit op de schaats. In die beweging onderscheiden we twee soorten bewegingen:

  1. een kanteling van het lichaam om de afzetschaats van de ‘buitenkant’ naar de ‘binnenkant’ van de afzetschaats (zijwaartse rotatie van het lichaam om de afzetschaats)
  2. een strekking van het afzetbeen.

Als de afzet begint heeft een goede rijder het lichaamszwaartepunt aan de buitenkant van de afzetschaats, de schaatser ‘komt over’ (zie figuur 1a). Het lichaam kantelt in een vloeiende beweging om de afzetschaats van de buitenkant via recht boven (figuur 1b) naar de binnenkant (figuur 1c) van de  afzetschaats.

Web-afbeeldingen.007

Vanaf het moment dat de bijhaal van het andere been is voltooid, komt er naast de kanteling een tweede beweging bij, namelijk de strekking van het afzetbeen in het heup-, knie- en enkelgewricht. Door de combinatie van de kanteling om de afzetschaats (gestippelde gele pijl 1 in figuur 2) en de strekking van afzetbeen (gestippelde pijl 2) bewegen we de heup tijdens de strekking in een horizontaal vlak zijwaarts (doorgetrokken gele pijl).

Web-afbeeldingen.008

Figuur 2. De combinatie van een kanteling (1) en een strekking (2) maakt een horizontaal zijwaartse beweging van de heup mogelijk. 

Samengevat ziet de beweging van de schaatser er gedurende de afzet als volgt uit:

Web-afbeeldingen.009

Figuur 3. Vanaf het begin van de afzet kantelt (roteert) het lichaam om de afzetschaats. Als de bijhaal is voltooid beweegt de heup horizontaal zijwaarts. 

Figuur 4. Faseplaatje van de afzet links

Elk nummer correspondeert met een plaatje uit figuur 3.

Elk van de twee bewegingen afzonderlijk draagt op een eigen manier bij aan de opbouw van de afzetkracht.  Voor een juiste uitvoering van de schaatsbeweging is het belangrijk te weten wat die manier is.

Opbouw afzetkracht door kanteling
Door de kanteling (gele pijl in figuur 5) ’duwt’ de afzetschaats tegen het ijs in de richting van de kanteling / rotatie (rode pijl naar links bij afzetschaats in figuur 5). Volgens het principe van actie is reactie zet het ijs de druk om in een afzetkracht in de tegenovergestelde richting (blauwe pijl naar rechts bij afzetschaats in figuur 5). De afzetkracht als gevolg van die kanteling is dus gedurende de gehele glijfase een naar de binnenzijde van de afzetschaats gerichte kracht (zie voetnoot 1)). Web-afbeeldingen.010

Figuur 5. De afzetkracht (blauwe pijl) is het gevolg van de kanteling van het lichaam om de afzetschaats.

Vóór het passeren van de verticale stand van het lichaam is de omvang van de afzetkracht gering omdat de zwaartekracht een tegenwerkende kracht is. Na het passeren van de verticale stand van het lichaam is de zwaartekracht een meewerkende kracht.

Opbouw afzetkracht door strekking 
Door de strekking van het afzetbeen drukt de afzetschaats tegen het ijs in de richting van het afzetbeen (rode pijl in tegengestelde richting van gele pijl in figuur 6). Die kracht ontbinden we in een horizontale en een verticale component (rode gestreepte pijl). Volgens het principe van actie is reactie zet het ijs de horizontale component van de strekkracht (rode horizontale pijl) om in een afzetkracht in de tegenovergestelde richting (blauwe pijl in figuur 6).Web-afbeeldingen.011

Figuur 6. De afzetkracht (blauwe pijl) is het gevolg van de strekking van het afzetbeen.

De afzetkracht als gevolg van de strekking is dus een naar de binnenzijde van de afzetschaats gerichte kracht.

Opbouw afzetkracht tijdens strekking
Omdat de beweging tijdens de strekking een combinatie is van een kanteling en een strekking, is de afzetkracht tijdens de strekking de som van het krachtmoment van de kanteling (figuur 7a) en de (horizontale component van de) strekkracht (figuur 7b).

Web-afbeeldingen.012

Figuur 7a.               +                  Figuur 7b.                   ⇒           Figuur 7c.

De som van de rotatiekracht (figuur 7a) en de (horizontale component van de) strekkracht (figuur 7b) is de totale afzetkracht (figuur 7c).

Technische uitvoering afzet
Met de kennis van de bouwstenen van de afzetkracht bespreken we nu de schaatstechnische uitvoering van de afzet, die is gebaseerd op het principe van een efficiënte beweging (maximale opbrengst bij minimale inspanning).
Daaronder valt natuurlijk in eerste instantie de schaatshouding met een diepe zit en een minimaal frontaal oppervlak (zie de subparagraaf schaatshouding.
Voor overige uitvoeringsaspecten maken we weer onderscheid tussen de fase vóór de strekking (uitsluitend kanteling lichaam om afzetschaats) en de strekfase (kanteling én strekking).

Romp boven afzetbeen
De kanteling van het lichaam om de afzetschaats wordt aangestuurd vanuit de heup van het afzetbeen. Tot het begin van de strekking verloopt het aansturen van de heup (‘duw heup over afzetschaats’) en het overbrengen van de kracht van de heup naar de afzetschaats efficiënt als het heup-, knie- en enkel gewricht van het afzetbeen met het schoudergewricht één vlak vormen. Bijgevolg bevindt de romp zich tot het begin van de strekking ‘boven’ het afzetbeen (‘boven’ in de zin van ‘in het vlak van heup-, knie- en enkel gewricht van afzetbeen’ ) en wijst de knie van het afzetbeen in de richting van de afzetschaats (en niet naar binnen). De verdeling van de lichaamsmassa en met name de massa van de romp, is dan zodanig dat het lichaam in balans is tijdens het kantelen van het lichaam om de afzetschaats.

Als de strekking van het afzetbeen begint, dan verandert de positie van de romp zoals beschreven staat in de paragraaf Inzet (en strekking) (inzet en strekking verlopen parallel).

Web-afbeeldingen.015

Figuur 8. Tot het begin van de strekking wijst de romp in de richting van het afzetbeen.

Het dij- en onderbeen heeft een actieve rol bij de kanteling (‘trek afzetschaats onder heup door’).

Heuplijn horizontaal
Voor een optimale benutting van de strekkracht bewegen we het bekken / de heup in een horizontaal vlak. Immers, vergelijk je het afzetbeen in de strekfase met een ingeklemde (druk-)veer die loopt van de afzetschaats naar de heup en laat je de drukveer los aan de heupzijde, dan wordt de veerkracht maximaal benut voor het opbouwen van een horizontale (afzet-)kracht als de ingedrukte veer zich ontspant in een horizontaal vlak.

De kracht waarmee de heup wordt weggeduwd van afzetschaats in beeld.

Omdat het strekbeen in de strekfase een scherpe hoek maakt met het ijs en het bekken normaal gesproken loodrecht staat op het standbeen,  dwingen we de beweging van het bekken in een horizontaal vlak af door de afzetheup ‘in de strekking’ te duwen (alsof je een sinaasappel uitperst tussen onderlichaam en dijbeen) (en/of de inzetheup omhoog te trekken).

Houden we de romp gefixeerd op de heup (sta geen overbodige bewegingen toe van de romp), dan is met de horizontale heuplijn dus ook de schouderlijn horizontaal (duw eventueel de schouder aan de afzetzijde omlaag).

Voor het zogenaamde ‘terugsturen’ van de afzetschaats aan het einde van de strekking verwijs ik naar de paragraaf Inzet (en strekking).

Techniekaanwijzingen afzet:

  1. Neem schaatshouding aan met diepe schaatszit.

Vóór de strekking

  1. Duw direct vanaf het begin van de afzet (zie voetnoot 2)de heup krachtig  zijwaarts over de afzetschaats heen: met de linker heup voor de linker afzet en met de rechter heup voor de  rechter afzet
  2. Bereid de beweging van de heup in zijwaartse richting voor, nog voordat de bijhaal is voltooid / nog voordat de afzet begint
  3. Trek direct vanaf het begin van de afzet de afzetschaats krachtig zijwaarts onder de heup door
  4. Romp wijst in richting afzetschaats / is boven de afzetschaats
  5. Knie is boven afzetschaats en niet naar binnen geknikt.
  6. Kantel het lichaam in een vloeiende beweging van de buitenkant naar de binnenkant van de afzetschaats

Tijdens strekking

  1. Houd heup- en schouderlijn horizontaal tijdens strekking
  2. Druk de afzetheup ‘in de strekking’ (alsof je een sinaasappel uitperst tussen onderlichaam en dijbeen) / trek de inzetheup omhoog
  3. Duw schouder (aan afzetzijde) omlaag
  4. Houd enkelgewricht ‘strak’  (niet knikken)
  5. Stuur tegen het einde van de strekking de afzetschaats enigszins terug.

Voor afzet als geheel (deels alternatieve formuleringen voor hetzelfde

  1. (Zet op buitenkant schaats in en) duw direct vanaf het begin van de afzet (zie, samen met punt 5, voetnoot  3)de heup krachtig zijwaarts over de afzetschaats heen en strek
  2. (Zet op buitenkant schaats in en) trek direct vanaf het begin van de afzet de afzetschaats krachtig zijwaarts onder de romp door en strek
  3. (Zet op buitenkant schaats in en) oefen direct vanaf het begin van de afzet zijwaartse druk uit op de afzetschaats, eerst op de buitenkant en daarna op de binnenkant van de schaats.
  4. Oefen continu druk uit op de afzetschaats in zijwaartse richting, eerst via de buitenkant en daarna via de binnenkant van de afzetschaats
  5. Trap, voor je gevoel, de aardbol zijwaarts weg (zie voetnoot 3)).

Naar paragraaf Zijwaartse bijhaal

.

1) In de glijfase heeft het lichaamszwaartepunt een vaste afstand tot de afzetschaats als gevolg van de schaatszit in het afzetbeen. Fysisch is het lichaam daarom op te vatten als een stijf lichaam met de afzetschaats als vast punt. Elke kracht, waarvan de werklijn niet door het vaste punt (de afzetschaats) gaat, veroorzaakt een draaiïng om het vaste punt, in dit geval de afzetschaats. De kracht, die uitgaat van de heup (rode pijl in figuur 2), doet het lichaam roteren om de afzetschaats, aanvankelijk tegen de werking van de zwaartekracht in, na het passeren van de verticale stand met de werking van de zwaartekracht mee. Een kracht, waarvan de werklijn wel door het vaste punt (de afzetschaats) gaat, heeft geen bewegingseffect op het lichaam.
Voor een meer uitgebreide en gedetailleerde beschrijving over de opbouw van de afzetkracht verwijs ik naar mijn artikel in Sportgericht, 64ste jaargang 2010, nr. 2.
2) Begin afzet, dat is het moment dat het andere been klaar is met de strekking en het gewicht voor het eerst volledig op het glijbeen staat.
3)  Deze techniekaanwijzingen hebben een overeenkomst met hardlopen: Bij hardlopen duw je vanaf het moment van de landing op de voorste voet je lichaam als het ware (in voorwaartse richting) over de voorvoet heen en trap je, voor je gevoel, de aardbol achterwaarts weg.