S-curve

De schaats laat een spoor na op het ijs. De vorm van het spoor wordt bepaald door een combinatie van factoren, zoals de ronding van de schaats, de richting en de grootte van de afzetkracht en de wijze waarop de inzet wordt uitgevoerd.
Door de ronding wordt de schaats gestuurd in de richting van de afzetkracht. Omdat de afzetkracht gedurende de gehele afzet naar ‘binnen’ toe gericht is, zal het spoor van de afzetschaats dus tijdens de gehele afzet (licht) naar binnen gebogen zijn. Hoe groter de afzetkracht, hoe sterker de kromming van de curve: aan het begin van de afzet, als de schaatser nog aan de buitenkant van de schaats staat, is de afzetkracht gering en zal de baan nauwelijks naar binnen gekromd zijn; naar het einde van de afzet toe, naarmate de afzetkracht toeneemt, wordt de baan sterker naar binnen gekromd met eventueel een extra kromming aan het einde van de afzet als de afzetschaats wordt ‘ingedraaid’.
Tijdens de inzet verandert de richting van de inzetschaats geleidelijk (van parallel aan de afzetschaats, afhankelijk van hoe de inzet wordt uitgevoerd) tot de richting schuin voorwaarts wordt bereikt van de volgende afzet.

27.001

Figuur 1. Schematische weergave van een tweetal schaatsslagen.

De doorgetrokken zwarte pijl stelt het spoor voor van de afzetschaats, de gestippelde rode pijl van  de bijhaalschaats en de gestippelde groene pijl van de inzetschaats.

S-curve

Tijdens de inzet heeft ook de inzetschaats contact (en niet meer dan dat) met het ijs. Omdat de inzet voorafgaat aan de afzet kunnen we het spoor van de inzetschaats koppelen aan het spoor van de afzetschaats.

Bekijken we de gekoppelde sporen van de schaats, dus vanaf het begin van de inzet tot het einde van de afzet, dan constateren we dat het spoor de vorm heeft van een langgerekte S, de zogenaamde S-curve.

28.001

Figuur 2. S-curve.

Dit ‘beredeneerde’ spoor van de schaats op het ijs komt overeen met het werkelijke spoor, zoals dat met behulp van sensoren is geregistreerd op het ijs van Thialf door een onderzoeksteam onder leiding van mevrouw E.van der Kruk.


S-curve in beeld.

Een veel gehoord argument bij de S-curve is dat de buitenwaarts gerichte kromming van de curve het gevolg is van het op de buitenkant rijden van de schaats. In die redenering zou de positie van het lichaamszwaartepunt de richting bepalen waarin de glijschaats uitwijkt. Dat zou kloppen als de zwaartekracht de enig werkende kracht is.  Maar tijdens het overkomen wordt er vanuit de heup een kracht geleverd die de zwaartekracht ‘overwint’ en het lichaam naar ‘binnen’ doet kantelen om de afzetschaats. Die kanteling is verantwoordelijk voor de opbouw van de afzetkracht die naar ‘binnen’ gericht is (zie de paragraaf over de Afzet). Omdat de afzetkracht de richting bepaalt waarin de glijschaats uitwijkt is dat dus naar ‘binnen’ toe en niet naar ‘buiten’.
De zwaartekracht moet je dus niet afzonderlijk beschouwen maar in samenhang met de kracht waarmee de heup over de afzetschaats wordt geduwd.

Het naar buiten uitwijken gebeurt tijdens de inzet (groene stippellijn in figuur 2.) en niet tijdens de afzet (zwarte pijl).

Slalom rijden

Voor het rijden op één schaats om een rij pylonen is een afzetkracht nodig die afwisselend naar buiten en naar binnen is gericht (ten opzichte van de glijschaats), waarbij het punt waar de afzetkracht wisselt van richting precies ligt op de lijn van de pylonen.

Omdat een naar buiten gerichte afzetkracht niet voorkomt bij het ‘gewoon’ schaatsen op het rechte eind, is het rijden op één schaats om pylonen beter op te vatten als een goede balansoefening dan als een techniekoefening voor het schaatsen. Het rijden op één schaats om pylonen is wel een techniekoefening voor het skeeleren met de ‘double push’ 2).

Breed versus smal rijden

Omdat we nu weten dat je tijdens de gehele afzet naar ‘binnen’ uitwijkt, is er dus ook geen relatie tussen overkomen en breed rijden / uitwaaieren. De oorzaak voor het al dan niet breed rijden moet worden gezocht in de fase vóór de afzet, de inzetfase. De aansturing van de inzet-schaats in de inzetfase bepaalt de aanvangsrichting van de schaats tijdens de volgende schaatsslag. En de aansturing van de inzetschaats wordt gedaan vanuit de heup: de heup draait weg van het afzetbeen naar het inzetbeen. De mate waarin je aan het begin van de inzet de heup wegdraait van het afzetbeen bepaalt of je breed rijdt of smal: hoe meer je wegdraait, des te breder ga je rijden.

1) In dit verband wordt een schaats vergeleken met een hoepel: een hoepel uit het lood wijkt uit in de richting van het zwaartepunt. Maar een hoepel ontbeert de kracht die de hoepel terugduwt naar de verticale stand.
2) Bij de eerste push van de dubbel push van het skeeleren wordt tijdens het rijden op de buitenkant van de afzetschaats een kortstondige strekking naar buiten toe uitgevoerd.