De schaats(-houding)

Zijwaartse afzet
Een schaatser ondervindt weerstand van het ijs (± 20%) en van de lucht (± 80%). Om die weerstanden te overwinnen voert de schaatser een beweging uit op de voortglijdende (afzet-)schaats in een vlak loodrecht op de afzetschaats. Immers, in die richting heeft de schaats maximale greep op het ijs, als we er van uitgaan dat de schaats scherp geslepen is.  We noemen die beweging de zijwaartse afzet.  

Figuur 1. Loodrecht op afzetschaats is greep op ijs maximaal. 

Zijwaartse afzet in beeld

Ronding van de schaats
Een schaats waarvan het ijzer recht geslepen is (dus zonder ronding), dwingt je rechtuit te glijden. In principe zou je daarmee moeten kunnen schaatsen. Maar op een dergelijke schaats heb je niet de mogelijkheid om tussentijds de glijrichting van de afzetschaats aan te passen (bijsturen van de afzetschaats). Om de schaats enigszins wendbaar te maken brengen we daarom op het schaatsijzer een ronding aan.

Een klap nageven
Globaal gesproken zijn er zijn twee soorten (langebaan-)schaatsen: de vaste schaats en de klapschaats.
Bij de vaste schaats is een strekking aan het einde van de afzet in het enkelgewicht niet mogelijk. De scheenbeen-spier moet worden aangespannen om te voorkomen dat met de punt van de schaats in plaats van met de hele schaats wordt afgezet, het zogenaamde ‘punteren’ of ‘krassen’. Dat aanspannen van de scheenbeen-spier kan bij ongeoefenden tot spierpijn leiden.
Bij de klapschaats is een enkelstrekking wel mogelijk waardoor je de afzet een extra klap kunt nageven. De scheenbeen-spier wordt ontzien en je kunt er ook nog mee klunen.
Als een afzet onvoldoende zijwaarts is gericht, dan gaat de schaats aan het einde van de afzet te ver open en geeft een klap bij het dichtgaan van de schaats. Te hard ‘klappen’ met de klapschaats is dus vergelijkbaar met het ‘punteren’ van de vaste schaats.
Het is een misverstand te denken ‘hoe harder de klap, des te harder je gaat’.

Schaatshouding
De schaatshouding wordt bepaald door de positie van de romp, het bekken en het standbeen:

  • de positie van de romp: borstbeen wijst naar het ijs, hoofd is in het verlengde van de romp en schouders zijn ontspannen
  • de positie van het  bekken: stuitje wijst naar beneden, bekken / het achterwerk is ‘onder’ de romp
  • de positie van het standbeen: knie is zo ver mogelijk naar voren.

Een goede basis voor de schaatshouding wordt gelegd door eerst de romp voorover te buigen en dan het stuitje naar beneden te laten wijzen. Door het stuitje naar beneden te laten wijzen worden de knieën naar voren gedrukt, wordt de hoek in enkelgewricht klein en spannen spieren zich aan die voor druk op de afzetschaats zorgen.

3.001


De schaatshouding in beeld

Diep zitten
De schaatszit wordt gevormd door de hoeken van het knie- en enkel gewricht. Als de hoeken van de schaatszit klein zijn dan spreken we van een diepe schaatszit. De knie van het standbeen wijst dan ver naar voren en in combinatie met een horizontale positie van de romp is de afstand borstbeen-knie klein.

Web-afbeeldingen.002

Figuur 3. Hoeken in knie- en enkelgewricht zijn hoeken van de schaatszit. 

Een diepe zit in combinatie met een naar achteren gekanteld bekken (stuitje wijst naar ijs / bekken onder romp) is de ideale uitgangspositie voor de spiergroepen rond het bekken en voor de quadriceps om de druk op te bouwen waarmee je het lichaam kantelt om de afzetschaats en zijwaarts wegduwt van de afzetschaats.

Bij een diepe schaatszit is de enkelhoek klein en dat komt de stabiliteit van het enkelgewricht ten goede: het enkelgewricht wordt als het ware opgesloten.

Frontale oppervlak en luchtweerstand 
Het frontale oppervlak van de schaatser wordt hoofdzakelijk bepaald door de positie van de romp: hoe meer de romp voorovergebogen is, hoe kleiner het frontale oppervlak. Als bij gelijk blijvende inspanning het frontale oppervlak (A) afneemt, dan neemt de snelheid (v) toe (het product A.v2 is constant: als A afneemt met een factor 4, dan neemt v toe met een factor 2).
Met een horizontale positie van de romp is het frontale oppervlak van de schaatser minimaal en de snelheid van de schaatser dus maximaal bij gelijkblijvende inspanning.

 Techniekaanwijzingen:

  1. Borstbeen wijst naar ijs
  2. Stuitje wijst naar beneden / achterover gekanteld bekken
  3. Knie ver naar voren / knie boven neus afzetschaats
  4. Schouders ontspannen en hoofd in verlengde romp
  5. Schouderlijn evenwijdig aan heuplijn / evenwijdig aan ijs (Gevolg: bolle (onder-)rug, heupen onder lichaam, afstand romp-knieën klein, hoeken in enkel- en kniegewricht klein).

Schaatsoefening:
schaatshouding

  • (maak vaart) glij over 50 meter in schaatshouding met handen ter hoogte van midden schaatsschoen en ga vanuit die houding over tot schaatsen zonder eerst omhoog te komen.

Figuur 4. Schaatsen vanuit glijden in schaatshouding

Naar paragraaf rechte eind.