Schaatshouding


 De schaatshouding wordt bepaald door de positie van de romp, het bekken en het standbeen:

  • de positie van de romp: borstbeen wijst naar het ijs, hoofd is in het verlengde van de romp en schouders zijn ontspannen
  • de positie van het  bekken: stuitje wijst naar beneden, bekken / het achterwerk is ‘onder’ de romp
  • de positie van het standbeen: knie is zo ver mogelijk naar voren.

Een goede basis voor de schaatshouding wordt gelegd door eerst de romp voorover te buigen en dan het stuitje naar beneden te laten wijzen. Door het stuitje naar beneden te laten wijzen worden de knieën naar voren gedrukt, wordt de hoek in enkelgewricht klein en spannen spieren zich aan die voor druk op de afzetschaats zorgen.

3.001


De schaatshouding in beeld

Diep zitten

De schaatszit wordt gevormd door de hoeken van het knie- en enkel gewricht. Als de hoeken van de schaatszit klein zijn dan spreken we van een diepe schaatszit. De knie van het standbeen wijst dan ver naar voren en in combinatie met een horizontale positie van de romp is de afstand borstbeen-knie klein.

Web-afbeeldingen.002

Figuur 2. Hoeken in knie- en enkelgewricht zijn hoeken van de schaatszit. 

We zetten een aantal voordelen van een diepe schaatszit op een rij.

  • Hoe kleiner de afzethoek α – dat is de hoek die het afzetbeen maakt met het ijs aan het einde van de afzet – des te groter is de horizontale component Fvan de strekkracht F en daarmee de bijdrage van de strekking aan de opbouw van de afzetkracht (zie figuur 3). De realisatie van een kleine afzethoek is alleen mogelijk bij een diepe schaatszit.14.001

Figuur 3. Hoe kleiner de afzethoek α, des te groter de strekkracht-component  F.

  • Een kleine enkelhoek leidt aan het eind van de afzet tot een grote afstand van het lichaamszwaartepunt tot de afzetschaats en hoe groter die afstand is, des te groter is het krachtmoment van de zwaartekracht
  • Een kleine enkelhoek verlengt de afzet
  • Een diepe zit in combinatie met een naar achteren gekanteld bekken (stuitje wijst naar ijs / bekken onder romp) is de ideale uitgangspositie voor de spiergroepen rond het bekken en voor de quadriceps om de druk op te bouwen waarmee je het lichaam kantelt om de afzetschaats en zijwaarts wegduwt van de afzetschaats
  • De stabiliteit in het enkelgewricht neemt toe als de enkelhoek kleiner wordt (het enkelgewricht wordt als het ware opgesloten).

Frontale oppervlak en luchtweerstand 

Het frontale oppervlak van de schaatser wordt hoofdzakelijk bepaald door de positie van de romp: hoe meer de romp voorovergebogen is, hoe kleiner het frontale oppervlak. Als bij gelijk blijvende inspanning het frontale oppervlak (A) afneemt, dan neemt de snelheid (v) toe (het product A.v2 is constant: als A afneemt met een factor 4, dan neemt v toe met een factor 2).
Met een horizontale positie van de romp is het frontale oppervlak van de schaatser minimaal en de snelheid van de schaatser dus maximaal bij gelijkblijvende inspanning.

 Techniekaanwijzingen schaatshouding:

    1. Borstbeen wijst naar ijs
    2. Stuitje wijst naar beneden / achterover gekanteld bekken
    3. Knie ver naar voren / knie boven neus afzetschaats
    4. Schouders ontspannen en hoofd in verlengde romp
    5. Schouderlijn evenwijdig aan heuplijn / evenwijdig aan ijs.

(Gevolg: bolle (onder-)rug, heupen onder lichaam, afstand romp-knieën klein, hoeken in enkel- en kniegewricht klein).

Naar paragraaf rechte eind.